Hoger inkomen, dan later AOW

Mensen met hogere inkomens werken langer door, leven langer en hebben hogere pensioenen. Zij moeten dus later AOW krijgen

Het is verbazend hoe snel de aanpassing van de AOW in een politieke patstelling is verzeild. Dat er niets meer te bedenken is dan een keuze tussen volledig behoud en drastische aantasting van de rechten van ouderen kan niet waar zijn.

Dat de populisten van links en rechts voor ‘volledig behoud’ zijn, geeft te denken. Het gevaar is groot dat, als de discussie niet boven dit niveau uitkomt, de aantasting van het ouderdomspensioen uiteindelijk drastischer en onrechtvaardiger zal zijn dan nodig is.

Gelijk
De AOW wordt als volksverzekering geacht voor iedereen gelijk te zijn. Oppervlakkig lijkt dat ook het geval: iedereen die meer dan 32.000 euro bruto verdient, betaalt in euro’s dezelfde premie, en iedereen krijgt vanaf dezelfde leeftijd (65) dezelfde uitkering. Als er iets veranderd moet worden, moet die verandering voor iedereen hetzelfde zijn, dus moet op den duur iedereen op zijn 67ste AOW krijgen.

Dit idee van gelijkheid is echter een fictie. Tienduizenden Nederlanders halen geen vijftig opbouwjaren, omdat zij een deel van hun leven in het buitenland woonden. Dat betekent minder AOW.

Eind
Daar komt bij dat voor sommige werknemers het 65ste jaar inderdaad zo ongeveer het eind van hun werkzame leven is, maar anderen zijn op goede gronden al veel eerder gestopt. Grote groepen werknemers bouwen een aanzienlijk aanvullend pensioen op, terwijl andere het na hun 65ste vooral van de AOW moeten hebben.

Sommige ouderen hebben na hun 65ste nog een aanzienlijke levensverwachting, terwijl anderen maar enkele jaren van hun AOW zullen genieten. Met andere woorden: de reële betekenis van de AOW-uitkering vanaf het 65ste levensjaar is voor mensen zeer verschillend.

Hierbij gaat het niet alleen om een andere ‘beleving’ van hetzelfde bedrag en dezelfde ingangsleeftijd. Ook objectief is de AOW voor verschillende groepen een zeer uiteenlopende voorziening. Die verschillen zijn zo groot dat zij de fictie van de volksverzekering die voor iedereen gelijk is onderuit halen. Wie er rustig naar kijkt, vindt hierin wellicht de sleutel tot een oplossing van het AOW-probleem.

Niet ongewijzigd
Alles begint met de constatering dat we de AOW niet geheel ongewijzigd kunnen handhaven. Met een groeiend aantal ouderen én een oplopende levensverwachting wordt de last van de premieomslag op jongere werknemers op enig moment ondraaglijk. Wie dat ontkent, heeft op termijn heel veel uit te leggen, té veel voor een serieuze politieke partij.

Aan de andere kant is een algemene verhoging van de AOW-leeftijd naar 67 jaar gemakzuchtig en gaat zij voorbij aan het feit dat dit voor grote groepen ouderen een zeer forse aantasting van hun welvaartsniveau betekent.
De reële betekenis van de AOW-uitkering is voor mensen zeer verschillend

Laten we dus naar de belangrijkste verschillen kijken en de oplossing van het AOW-vraagstuk op de schouders leggen van degenen die haar het best kunnen dragen.

Drie verschillen zijn hier wezenlijk:
Beter betaalde werknemers zijn in het algemeen hoger opgeleid, beginnen later met werken en gaan langer door. In deze groep begint doorwerken tot het 65ste jaar gebruik te worden, en steeds meer hoger opgeleiden blijven ook daarna nog actief. De pensionering is voor hen een geleidelijke en relatieve gebeurtenis tussen hun 63ste en 68ste jaar.

Een opschuiving van de AOW-leeftijd naar 67 jaar zal voor deze groep minder ingrijpend en gemakkelijker met werk te compenseren zijn dan voor groepen werknemers die eerder zijn begonnen te werken en die veel vaker al rond hun 60ste moeten stoppen.

Hoger opgeleide en beter betaalde werknemers bouwen door hun hogere inkomen over de gehele actieve periode ook een aanzienlijk hoger aanvullend pensioen op. Daardoor is na de pensionering de AOW een minder groot, en dus minder belangrijk deel van hun inkomen dan bij lager opgeleiden.

Hoe hoger het aanvullend pensioen, des te meer mogelijkheden men heeft om een verlaging van de AOW te compenseren. Sommige pensioenen gaan nu al op 63 of 64 jaar in, als er nog geheel geen AOW wordt uitgekeerd; pensioenfondsen voorzien dan ook in de basis. Dat kan technisch ook in het 66ste of 67ste levensjaar; de kosten zijn hoog, maar beter te dragen naarmate het inkomen hoger is.

Hoger
De levensverwachting van beter betaalde en hoger opgeleide werknemers na hun 65ste is beduidend hoger dan die van laagopgeleiden. Iedereen op 65 jaar hetzelfde bedrag geven, lijkt dus wel rechtvaardig, maar de praktijk is dat beter betaalden in totaal een veel hoger bedrag aan AOW uitgekeerd krijgen dan de lagere inkomens. Terwijl iedereen boven de 32.000 euro evenveel premie betaalt.

Vaak wordt onderscheid gemaakt naar zwaarte van het beroep: werknemers in zware en belastende beroepen zouden dan hun AOW op 65 mogen houden. Het probleem is echter dat die zich moeilijk eenduidig laten definiëren in een arbeidsmarkt waarin beroepen voortdurend veranderen en mensen steeds vaker van beroep veranderen. Veel eenvoudiger en rechtvaardiger is het de drie genoemde verschillen als uitgangspunt te nemen.

Meer pensioen
Wie gedurende zijn beroepsloopbaan, mede door een hogere opleiding een hoger inkomen weet te verwerven, kan meer pensioen opbouwen, zal langer doorwerken en ten slotte langer leven. Hierin liggen drie zelfstandige argumenten die elkaar versterken om de AOW-leeftijd naar achter te verschuiven in relatie tot de hoogte van het inkomen.

Als men het uitkeringsbedrag voor iedereen gelijk wil houden én met de welvaart wil laten stijgen, dan is staffeling (een vorm van boekhouden waarbij steeds het saldo blijkt, red.) van de AOW-leeftijd op grond van het inkomensniveau de eerlijkste manier om deze voorziening betaalbaar te houden.

bron: Volkskrant.nl

No comments yet.

Write a comment: